Waarom reageer je soms als een kind terwijl je al lang volwassen bent? Je hebt een job, een agenda en een sleutelbos in je jaszak. Toch is een blik genoeg, of een deur die te hard dichtvalt, en je voelt je weer zes.
Wie was Erik ericson?
Als iemand ooit het recht had om over identiteit te schrijven, dan was het Erik Erikson wel.
Hij werd in 1902 geboren in Frankfurt. Wie zijn echte vader was, heeft hij nooit geweten. Zijn moeder trouwde met een kinderarts, en zo heette de kleine Erik jarenlang Erik Homburger. Hij was een lange, blonde jongen met blauwe ogen in een Joods gezin. Op de Joodse school vonden ze hem te Noords, op de gewone school te Joods. Hij paste dus nergens echt, en dat zou je later in zijn hele werk terugzien.
Zijn stiefvader zag hem graag dokter worden, maar Erik koos voor de kunstschool. Daarna zwierf hij als kunstenaar door Duitsland en Italië, met een schetsboek onder de arm. Uiteindelijk belandde hij in Wenen, als leraar op een schooltje voor kinderen van ouders die in analyse waren bij Anna Freud, de dochter van Sigmund. Daar kreeg hij een opleiding in de psychoanalyse. Een behoorlijke carrièreswitch voor een rondtrekkende tekenaar.
In 1933 vertrok hij met zijn vrouw Joan, een Canadese danseres, naar Amerika. Een paar jaar later koos hij zelf een nieuwe achternaam: Erikson, letterlijk “zoon van Erik”. Probeer dat maar eens uit te leggen op een familiefeest.
Hij grapte zelf dat hij de enige Harvard-professor was zonder diploma, en dat hij gezakt was voor het enige psychologievak dat hij ooit volgde. Hij het woord identiteitscrisis. Ik vermoed dat hij uit ervaring sprak.
Ericson hielp me sommige reacties begrijpen. Psycholoog Erik Erikson beschreef hoe een mens groeit in acht fasen, van de eerste levensdagen tot de ouderdom. In deze blog loop ik ze met je door en vertel ik wat ik ervan terugzie in mijn werk als therapeut, met kinderen, met jongvolwassenen en met mensen met een verslaving.
We groeien in lagen, zoals een boom in jaarringen. Elke ring draagt het weer van dat jaar: een droge zomer, een storm, een zachte lente. Soms voel je jaren later nog waar het toen gevroren heeft.
Volgens Erikson staat een mens in elke fase voor een vraag, een spanning tussen twee polen. Wie die vraag goed genoeg kan doorleven, neemt een kracht mee voor onderweg. Wie dat niet kon, houdt een kwetsbare plek over die later weer kan opspelen. Niemand doet dat perfect, we dragen allemaal iets van beide polen in ons. En geen enkele fase gaat ooit helemaal dicht. Dat vind ik het hoopvolste aan zijn model.
Erik Erikson was een psycholoog die beschreef hoe een mens zich ontwikkelt van geboorte tot ouderdom. Zijn idee is eigenlijk eenvoudig en past in drie stappen.
1. Elke levensfase heeft één grote vraag.
Een baby vraagt zich af of hij op anderen kan rekenen. Een tiener vraagt zich af wie hij is. Die vraag wordt niet met woorden gesteld, maar beleefd in het lichaam
2. Elke vraag heeft twee kanten.
Erikson zet telkens twee polen tegenover elkaar, bijvoorbeeld vertrouwen en wantrouwen. Iedereen krijgt van beide iets mee. Het gaat erom dat de gezonde kant de bovenhand krijgt.
3. Als dat lukt, krijg je een kracht mee.
Wie in de eerste fase genoeg vertrouwen opdoet, krijgt hoop mee. Die kracht neem je mee naar de volgende fasen. Lukt het minder goed, dan blijft er een gevoelige plek, die later in je leven weer kan opspelen.
Twee dingen zijn belangrijk om te onthouden!!!!:
- Niemand doorloopt de fasen perfect. Elke mens heeft gevoelige plekken. Dat is normaal.
- Niets ligt voorgoed vast. Wat je als kind niet kreeg, kan je later nog opbouwen. Daar zit de hoop van dit model.
Een baby heeft nog geen woorden. Zijn eerste vraag is een huilen in de nacht: komt er iemand? Komt er telkens iemand, warm en voorspelbaar, dan leert hij dat hij op de wereld kan leunen. Daar groeit hoop.
In mijn werk rond verslaving zie ik wat er gebeurt als dat antwoord te vaak uitbleef. Er groeit een stil wantrouwen tegenover het leven zelf, en een middel wordt soms het enige dat wel altijd komt.

Fase 1 van Erikson: basisvertrouwen versus wantrouwen (0 tot 1,5 jaar)
De vraag: kan ik op anderen rekenen?
Wat een kind nodig heeft: iemand die komt als het huilt, het eten geeft, troost en vasthoudt. Niet perfect, wel vaak genoeg en voorspelbaar genoeg.
De kracht: hoop. Het gevoel dat de wereld in de basis een goede plek is.
Als het moeilijk liep, merk je later misschien dat je anderen moeilijk vertrouwt, alles zelf wilt doen of bij elke stilte denkt dat iemand je in de steek laat. Bij verslaving zie ik vaak dat een middel de plek inneemt van iemand op wie je kan rekenen: het is er altijd.
Tip voor ouders: je hoeft geen perfecte ouder te zijn. Wat telt, is dat je na een moeilijk moment terugkomt en herstelt. Zeg gerust: dat ging niet goed van mij, ik ben er nu.
Tip voor jezelf: kies één persoon bij wie je oefent om iets kleins te vragen, en kijk wat er gebeurt. Vertrouwen groeit door kleine, herhaalde ervaringen.
Fase 2: autonomie versus schaamte en twijfel (1,5 tot 3 jaar)
De vraag: mag ik zelf iets doen?
Wat een kind nodig heeft: ruimte om zelf te proberen, zelf te eten, zelf aan te kleden, nee te zeggen. En duidelijke, veilige grenzen, zonder uitlachen of beschamen.
De kracht: wilskracht. Het gevoel dat je een eigen wil mag hebben.
Als het moeilijk liep, merk je later misschien dat je snel schaamte voelt, aan jezelf twijfelt of moeilijk nee zegt. Schaamte is iets anders dan schuld. Bij schuld denk je ik deed iets fout. Bij schaamte denk je ik ben fout. Dat verschil leg ik uit in mijn blog over.
Tip voor ouders: geef keuzes waar het kan. Wil je de rode of de blauwe trui? Benoem het gedrag, niet het kind: dat was niet oké in plaats van jij bent stout.
Tip voor jezelf: merk op wanneer je denkt ik ben fout. Vraag je dan af: wat deed ik concreet, en wat is de juiste maat voor dat gevoel?
Fase 3: initiatief versus schuldgevoel (3 tot 6 jaar)
De vraag: mag ik iets bedenken en starten?
Wat een kind nodig heeft: ruimte om te fantaseren, rollenspelletjes te spelen, plannen te maken en dingen uit te proberen. Ook als het eens misloopt of rommel maakt.
De kracht: doelgerichtheid. Het gevoel dat je mag verlangen en iets in gang mag zetten.
Als het moeilijk liep, merk je later misschien dat je je snel schuldig voelt als je iets voor jezelf wilt, dat je weinig durft te beginnen of dat je wensen klein houdt.
Tip voor ouders: speel mee. Laat je kind de baas zijn in het spel en volg zijn verhaal. Zo leert het dat zijn ideeën welkom zijn.
Tip voor jezelf: begin iets kleins waar je zin in hebt, zonder doel. Een tekening, een wandeling naar een plek waar je nog nooit was. Spelen kan je op elke leeftijd opnieuw leren.
Fase 4: vlijt versus minderwaardigheid (6 tot 12 jaar)
De vraag: kan ik iets, en tel ik mee?
Wat een kind nodig heeft: de ervaring dat het dingen kan leren en dat inzet loont. En een plek in de groep, op school, in de klas, bij vriendjes.
De kracht: competentie. Het gevoel dat je iets kan.
Als het moeilijk liep, merk je later misschien dat je jezelf snel minder vindt dan anderen, faalangst hebt of het gevoel hebt erbuiten te staan. Ik weet uit eigen ervaring hoe lang dat gevoel kan blijven hangen.
Tip voor ouders: prijs de inzet, niet alleen het resultaat. Ik zag hoe hard je oefende. Let ook op hoe je kind zich voelt in de groep. Boosheid of buikpijn kan een teken zijn dat het zich op school niet goed voelt.
Tip voor jezelf: schrijf drie dingen op die je deze week goed deed, hoe klein ook. Je brein moet soms leren om ook het succes te zien.
Fase 5: identiteit versus rolverwarring (12 tot 18 jaar)
De vraag: wie ben ik?
Wat een jongere nodig heeft: ruimte om rollen, stijlen en vriendengroepen uit te proberen, met volwassenen in de buurt die blijven, ook als de jongere zich afzet.
De kracht: trouw. Weten waar je voor staat en daar trouw aan blijven.
Als het moeilijk liep, merk je later misschien dat je niet goed weet wat je wilt, je snel aanpast aan anderen of steeds van richting verandert. Veel verslavingen beginnen in deze fase. Een middel geeft even een groep of een identiteit.
Tip voor ouders: wees nieuwsgierig in plaats van meteen te oordelen. Vraag wat vind je daar goed aan? Blijf beschikbaar, ook als je tiener je even niet lijkt nodig te hebben.
Tip voor jezelf: vraag je af welke drie waarden echt van jou zijn, los van wat anderen van je verwachten. Kijk of je dagelijkse keuzes daarbij passen.
Fase 6: intimiteit versus isolement (18 tot 40 jaar)
De vraag: durf ik echt dichtbij iemand te komen?
Wat een jongvolwassene nodig heeft: genoeg zelfvertrouwen uit de vorige fasen om zich te laten zien aan een ander, in liefde en in vriendschap.
De kracht: liefde. Dichtbij kunnen komen zonder jezelf te verliezen.
Als het moeilijk liep, merk je later misschien dat je relaties afhoudt, je terugtrekt zodra het dichtbij komt, of je juist helemaal verliest in een ander. Ik werk graag met jongvolwassenen, omdat oude thema’s uit de vorige fasen hier vaak opnieuw opduiken en er nog veel kan veranderen.
Tip voor jezelf: deel deze week één eerlijk gevoel met iemand die je vertrouwt. Begin klein. Nabijheid is iets wat je oefent.
Fase 7: generativiteit versus stagnatie (40 tot 65 jaar)
De vraag: wat geef ik door?
Wat een volwassene nodig heeft: een manier om bij te dragen, aan kinderen, aan anderen, via werk of vrijwilligerswerk.
De kracht: zorg. Iets betekenen voor wie na je komt.
Als het moeilijk liep, merk je later misschien dat je het gevoel hebt stil te staan, of dat je leven vooral om jezelf draait en weinig zin geeft.
Tip voor jezelf: zoek één manier om iets door te geven wat jij kan. Een collega iets aanleren, een buurkind helpen met huiswerk, je verhaal delen.
Fase 8: integriteit versus wanhoop (vanaf 65 jaar)
De vraag: kan ik vrede hebben met het leven dat ik leefde?
Wat een oudere nodig heeft: ruimte om terug te kijken, verhalen te vertellen en zowel het mooie als het pijnlijke een plek te geven.
De kracht: wijsheid. Je leven kunnen aanvaarden zoals het was.
Als het moeilijk liep, merk je misschien veel spijt, bitterheid of angst voor het einde.
Tip voor jezelf of voor je (groot)ouders: vertel of vraag naar levensverhalen. Waar ben je trots op? Wat zou je anders doen? Vertellen helpt om een leven als één geheel te zien.
Wat kan je hier nu mee?
Erikson veroordeelt niemand. Zijn model is een landkaart. Het toont waar iemand ooit is blijven haperen, en vaak was die hapering een logisch antwoord op wat er toen nodig was. Zo kan je het model gebruiken:
- Herken je reactie. Merk op wanneer je heftiger reageert dan de situatie vraagt. Dat is vaak een teken dat een oude fase wordt aangeraakt.
- Zoek de vraag erachter. Gaat het over vertrouwen? Over schaamte? Over erbij horen? Kijk welke fase in het overzicht het best past.
- Wees mild. Je reactie is ooit ontstaan om je te beschermen. Je hoeft jezelf er niet om te veroordelen.
- Oefen met kleine stappen. Gebruik de tips hierboven. Kracht die je als kind niet kreeg, kan je later nog opbouwen, stap voor stap.
- Zoek hulp als het te zwaar is. Sommige wonden heel je niet alleen. Dat is geen zwakte, dat is menselijk.

